Dan Bekking
Biografie
Daniel Wilhelm Bekking (Dan. Bekking), geboren op 8 Januari 1906 in Haarlem,
overleden op 4 September 1973 te Amsterdam, bezocht na een HBS-opleiding in
Den Haag de Academie voor Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in
Rotterdam.
Na beeindiging van zijn studie vestigde hij zich in Parijs, waar hij behoorde
tot de groep jongere expressionisten, die zich gevormd had om de schilders
Dunoyer de Ségonzac, Othon Friesz, Thévenet, Osterlind, Derain,
Gromaire en de Nederlander Conrad Kickert, met welke schilders hij intiem
bevriend was.
Hij had in Parijs vele portretopdrachten en exposeerde o.a. bij de
"Salon des Indépendants" (voorzitter: Paul Signac) en bij de zeer
selecte "Salon des Tuileries" (voorzitter Othon Friesz).
In 1939 "strandde" Daan Bekking in Nederland, waar hij toevallig verbleef na
het afleveren van enkele doeken aan Nederlandse kopers, en waar enkele
portretopdrachten hem hadden opgehouden. De laatste trein die reed na het
uitbreken der vijandelijkheden tussen Duitsland en de Geallieerden, bracht
hem tot aan de Franse grens. Vandaar moest hij onverrichter zake terugkeren
naar Nederland, met achterlating van al zijn werk en al zijn bezittingen
in zijn Parijse atelier, waarvan na de oorlog niets is teruggevonden.
Het gelukte hem in korte tijd in Nederland vaste voet te krijgen:
naast de eigen werkzaamheden leidde hij in eigen atelier vele schilders op
en van 1945 tot 1964 was hij eerst secretaris en daarna voorzitter van de Onafhankelijken.
Ook op cultureel gebied waren zijn activiteiten velerlei en in
binnen- en buitenland hield hij, op verzoek, lezingen over kunstbeschouwing.
Exposeren deed hij voornamelijk in het buitenland (Frankrijk, Zwitserland, Duitsland, Zweden)
en slechts bij uitzondering in Nederland.
Hij was een echte 'schilder': dat wil zeggen, dat hij bij voorkeur met olieverf werkte.
Daarnaast maakte hij aquarellen en tekeningen.
In zijn werk is de ontwikkeling te zien van 'Fauve' tot 'lyrisch expressionist'.
Fauvisme, expressionisme, en ook impressionisme, naturalisme, symbolisme, kubisme,
surrealisme, futurisme zijn allemaal facetten van de veelzijdige menselijke geest
en niet aan een bepaalde periode gebonden. Zij bestaan naast elkaar en iedere kunstenaar:
schilder, beeldhouwer, schrijver, componist, kiest als vanzelfsprekend die richting,
die het meest met zijn eigen karakter strookt.
De naam 'Fauves' (Fr. = letterlijk 'wilde dieren') werd voor het eerst door een
Franse kunstcriticus als spotnaam gebruikt - zoals ook de stijlbenaming
'gotiek' en 'impressionisme' uit spotnamen zijn ontstaan - voor een aantal
schilders (o.a. Matisse, Derain, Friesz, Vlaminck, Dufy) die kleur en
lijn gebruikten om het uiterste aan expressie te bereiken, vaak met
verachting van realistische details. Het was als het ware een groot offensief
van kleur als middel van uitdrukking. De voorlopers van deze richting waren
o.a. Vincent van Gogh, Gauguin en Cezanne.
Het 'fauvisme' met zijn felle kleuren, dat in Frankrijk ontstaan is,
kunnen we in een adem noemen met het 'expressionisme', dat zijn oorsprong
in Duitsland vond. Ook de expressionisten gebruiken niet op de natuur
afgestemde, felle, uit de gevoelsgeladenheid voortgekomen kleuren. Het expressionisme
wil een uiting zijn van de innerlijke werkelijkheid.
De fauvisten en de expressionisten zijn tegelijkertijd ook idealisten,
die zich keren en teweerstellen tegen de materialistische, geestloze en
wrede werkelijkheid van deze wereld, die in schrille tegenstelling staat
tot het gedroomde ideaalbeeld. Zij zoeken niet de werkelijkheid, doch de
'eeuwige waarheid', die verborgen ligt achter de dingen die het oog waarneemt.
Ze weten, dat het onmogelijk is de echte werkelijkheid weer te geven, omdat
geen twee mensen de dingenop dezelfde manier zien en ervaren. Hoogstens zou
men de uiterlijke realiteit, de uiterlijke schijn kunnen weergeven.
Voor hen echter leeft het beeld van de wereld in henzelf.
Daarom is hun kunst de weergave van hun eigen zielsuitingen.
Dit was de richting die Daan Bekking, volgens zijn karakterstructuur
moest gaan en hij is deze richting tot aan zijn dood trouw gebleven,
omdat hij trouw wilde blijven aan zichzelf. Hij hield van alle schone
dingen in dit leven, van alle kunst: schilderkunst, beeldhouwkunst,
architectuur, muziek, literatuur. Hij hield van het leven zelf in al
zijn aspecten. Hij hield van de mens, van de enkele zeer groten en van
de vele stakkerds: de bedelaars, de Parijse clochards, de zwervers,
de daklozen, de ongelukkigen, de armen. Hij hield van de kundige ambachtsman,
van de boer in de eeuwige kringloop der natuur, van de herders op de dorre,
onherbergzame vlakten van Frankrijk en Spanje. Hij hield van de natuur zelf,
waarvan zijn vele landschappen en boomstudies getuigen; van de dieren, die hij
nooit moe werd te bestuderen en te tekenen. Hij hield van de droom en ontvluchtte,
zowel in de geest als ook in werkelijkheid het boze en het banale in deze wereld.
In de beslotenheid van zijn atelier of alleen in Gods vrije natuur, realiseerde hij
die liefde tot alles wat leefde in zijn werk. Hij gebruikte daarvoor zijn eigen taal,
de taal van de 'lyrische expressionist', de schilder, die tegelijkertijd een dichter is
en die tracht de droom van het schone te verbinden met de herkenbare werkelijkheid.
C.A.H. Bekking-van Opijnen.